pobyt (pl.)

logeren (nl.)




Przykładowe tłumaczenia:

topór (pl.) - hakbijl, bijl (nl.)
pozycją (pl.) - item, deel, jaartelling, deeltje (nl.)
placówka (pl.) - aanplakken (nl.)
profil zabezpieczeń (pl.) - karakterschets (nl.)
religijny (pl.) - religieus, godsdienstig, gelovig (nl.)
petencie (pl.) - adressant (nl.)
prześcieradło (pl.) - blad, vel (nl.)
natarcie (pl.) - aangrijpen, aantasten, aanvallen (nl.)
doznaj (pl.) - belevenis, ervaring, ondervinding (nl.)
zabawiać (pl.) - vermakelijk, amusant, leuk (nl.)