rzeŸbić (pl.)

beitelen (nl.)




Przykładowe tłumaczenia:

duch (pl.) - geest (nl.)
zdusić się (pl.) - onderdrukken, smoren, neerslaan (nl.)
zbiór (pl.) - bestand, dossier (nl.)
amortyzować (wstrzšsy) (pl.) - afbetalen, afschrijven, aflossen (nl.)
żona (pl.) - echtgenote, eega, gemalin, vrouw (nl.)
przestudzić (pl.) - afkoelen (nl.)
pokryć (pl.) - sproet (nl.)
haniebny (pl.) - schandelijk (nl.)
czegoœ itd. (pl.) - mijden, uit de weg gaan, ontwijken (nl.)
osłonš (pl.) - schild, bordje, uithangbord, bord (nl.)