confirm (pl.)

betuigen, verzekeren (nl.)




Przykładowe tłumaczenia:

tonąć (pl.) - zinken, aan de grond raken (nl.)
randze (pl.) - graad, stand, status, rang (nl.)
moczyć się (pl.) - in de week zetten, weekmaken, weken (nl.)
żegluga (pl.) - navigatie (nl.)
krótki (pl.) - kort (nl.)
drążek (pl.) - baar, roede, paal, schacht, pijp (nl.)
rozpocząć (pl.) - uitschrijven, lanceren, ontketenen (nl.)
żartować (pl.) - bagatel, futiliteit, beuzelarij (nl.)
roić się (pl.) - krioelen, wemelen, wriemelen, krielen (nl.)
bąbel (pl.) - blaar (nl.)