fałszował (pl.)

maken, fabriceren, aanmaken (nl.)




Przykładowe tłumaczenia:

wpływ (pl.) - aandoen, aangrijpen (nl.)
paradoks (pl.) - paradox (nl.)
gnębić (pl.) - knellen, dringen, persen, drukken (nl.)
utwór (muzyczny (pl.) - fragment, brok (nl.)
zataić (pl.) - verbergen, ontveinzen, verhelen (nl.)
aresztować (pl.) - reserveren, ophouden, detineren (nl.)
rylec (pl.) - griffel, etsnaald, schrijfstift (nl.)
wtrącanie się (pl.) - storing (nl.)
kusić (pl.) - verleiden, verlokken, weglokken (nl.)
zadanie (pl.) - vraagstuk, vraagpunt, probleem, opgave (nl.)