bałagan (pl.)

janboel, disorde, rommel, rotzooi (nl.)




Przykładowe tłumaczenia:

obok siebie (pl.) - aan, nabij, bij, dichtbij, naast (nl.)
balet (pl.) - ballet (nl.)
skurczyć się (pl.) - ineenkrimpen, ineenkronkelen (nl.)
dżdżownica (pl.) - aardworm, regenworm, pier, worm (nl.)
dozorcš (pl.) - bewaken, de wacht hebben, bewaren (nl.)
odcinanie (pl.) - scheren, knippen, snoeien (nl.)
członek (pl.) - lid, lidmaat, aanhanger (nl.)
zaręczony (pl.) - verloofd, geëngageerd (nl.)
pzować (pl.) - aandoen, aangrijpen (nl.)
ofiarować (pl.) - huwelijksaanzoek, aanzoek (nl.)